Alles in dit bestaan, elk levend wezen of object, vindt een grond in het Ongeborene. Spirituele beoefening helpt ons dit Ongeborene in ons bewustzijn weer tot leven te brengen, met andere woorden, de geest in ons te ‘incarneren’. Dit helpt ons op directe wijze verbonden te blijven met waar we zijn en omhanden hebben. Dat is het thema van deze bijdrage. De spirituele beoefening omvat rituele handelingen (meditatie, buigen, het gebaar van gassho, soetrazang, etc.) die ons in het levensspoor helpen en ons laten herinneren wat en wie we en met wie we zijn. Maar uiteindelijk is het zaak die beoefening tot levenspraktijk te maken – een meditatief leven te leiden waarvan niets en niemand is uitgesloten, een leven opgedragen aan…het leven. Geen leven zonder fouten of in schijn maar in oprechtheid waarin je je eigen zwaktes en sterktes leert kennen, waarin je leert zien, in alle doen en laten, hoe afhankelijk we wederzijds van elkaar zijn. In alles wat je omhanden hebt, kun je jezelf openen voor wat we noemen ‘de compassie der dingen’. Een kopje koffie maken en tot je nemen is een wonder. We leren dat wat ons wordt aangereikt, via de grond der aarde en het werk van vele handen tot je is gekomen. Shunryu Suzuki zei eens: ‘Goed zorgen voor een kopje, is goed zorgen voor mij.’ Waarbij hij met ‘mij’ doelde op het grote Zelf.

De honderden dingen in het huis waar ik woon maken het wonen mogelijk. Honderdduizenden momenten, ontelbare personen en even ontelbare objecten hebben geleid tot het moment waarin ik deze woorden mag formuleren. Niets is in die zin zonder betekenis of zonder waarde, ongeacht wat we mee- en doormaken.

En tegelijkertijd, alles is per definitie volstrekt open en onbepaald. We worden naakt geboren en zullen naakt sterven – uiteindelijk staan we met lege handen. Dat wil zeggen dat ieder ogenblik Ongeboren, naakt kan zijn. Met lege handen staan, is dat niet tegelijkertijd vervuld staan en zijn van alle leven?

Dat is waarom we onze beoefening aanduiden als beoefening van een beginner. De jaren van Zen beoefening tellen feitelijk niet. Zodra we denken ‘Ik doe dit al zoveel jaren’ stappen in een valkuil van zelfdeceptie, zelfgenoegzaamheid, bekleden we ons met de denkbeeldige kleren van de keizer. Zen beoefening is gewoon je leven leiden, niet meer, niet minder. Het ís je kom wassen als je gegeten hebt. Het is stoppen met de rijstzak van je verleden met je mee te sjouwen. Het is zien dat ieder ogenblik in alle richtingen open is. En dat die openheid ‘hangt’ onder a je daden en gedachten, of je nu autorijdt, fietst, met een ander praat, lief hebt, boodschappen doet, kookt of de ramen lapt. De weg is waar je bent, de weg is wat je voorleeft. Die ervaring is de levende compassie ervaren, de wijsheid van het universum. We staan er niet zo vaak bij stil maar we zíjn deel van het universum, het is onze geboorteplaats, het Ongeborene. De sterren in de nacht vertellen ons verhaal, de blauwe lucht van de oneindige ruimte overdag toont ons die geboorteplaats, ieder moment. Met andere woorden, we zíjn thuis, overal waar we zijn. Dat is waarom Mozes met blote voeten God in de brandende braamstruik tegemoet trad – hij bevond zich op heilige grond. Die heilige grond ís hier, precies op de plek waar we zijn. Altijd. Overal. In alles wat we doen. Overal zijn we met alles en iedereen.

Foto: Kira auf der Heide – Unsplash

De Indiase boeddhistisch filosoof Santideva leefde in de 8e eeuw en is de auteur van het klassieke werk Bodhicaryāvatāra – Het Pad van de Bodhisattva. Direct in het begin van zijn werk reciteert hij de gelukkige omstandigheid van zijn gunstige wedergeboorte, iets dat uiterst moeilijk te bereiken is, namelijk het menselijk bestaan. Hem vrijelijk vertalend, stelt Santideva dat zij die de Boeddha (Zen) weg volgen, zich in gelukkige omstandigheden bevinden. Ze zijn om te beginnen geboren als mens en hebben vervolgens in hun leven kennis kunnen maken met de Leer van de Boeddha. Een Leer waarvan de essentie de essentie van dit ogenblik is.

De eerste gelukkige omstandigheid betekent een werelds leven leiden, opgroeien, scholing ontvangen, relaties aanknopen, je verantwoordelijkheden leren kennen en dragen. De tweede gelukkige omstandigheid betekent met de Leer van de Boeddha de mogelijkheid ontvangen dat leven geheel te doorgronden. De weg van Zen gaan betekent leren kijken met de ogen van de onmetelijke ruimte en met die blik ervaren dat je niet meer weet wat je ziet. Het betekent leren luisteren met heel je wezen en in die staat niet langer weten wat je hoort. Dat is bevrijding.

De hele Zen traditie en – beoefening berust op bevrijding uit onwetendheid, de oversteek via het vlot van de Boeddhistische Leer naar de staat van niet-weten. We laten het vlot uiteindelijk achter maar wenden het opnieuw aan in het proces wanneer we anderen op hun weg begeleiden. Die wijze van aanwenden, is geheel afgestemd op cq gevormd naar de leraar in kwestie. Zenleraren leven hetzelfde voor, maar hun Dharma – hun wijze van scholing – verschilt. In zen geldt: Zen heeft de geest als kern en geen-methode als leermethode.

Hoe geven we in een sterfelijk, kwetsbaar bestaan – in en met dit lichaam als voertuig – vorm aan het absolute, het eeuwige Licht waarvan niets en niemand is uitgesloten? Dat is de uitdaging, daarin ligt het werk van Zen.

In de paardenhouderij bestaat sinds oudsher het fenomeen ‘een paard breken’. Het staat voor een proces waarin een paard met het nodige geweld tot gehoorzaamheid wordt gebracht, dikwijls door eindeloos berijden, soms met een been gebonden. Het is een weg van dwang tot onderdanigheid. De mens die het paard zijn of haar wil oplegt. De Amerikaanse paardenkenner Monty Roberts is wars van het begrip ‘breken’. Hij bestudeerde als jonge man de paarden in hun natuurlijke omgeving, leerde hun gedrag en eigenheden kennen en luisterde naar wat deze pure, natuurlijke dieren nodig hadden. Op basis daarvan ontwikkelde hij een gedragsvorm (géén methode!): Join-up. Hij zegt daarover: ‘Join-Up is based upon a communication system creating a bond rooted in trust and an environment of cooperation. It must be nonviolent, non-coercive and can only be accomplished if both partners have willingly entered the process. To gain Join-Up with your horse, it is necessary to step into his world, observe his needs, conditions and the rules that govern his social order.’

Jaren geleden bezocht ik met een van mijn dochters een workshop met Monty Roberts, in het Duitse Aken en zagen we hem aan het werk. Monty is nu in de tachtig en nog steeds actief. Zijn kleindochter werkt met hem samen. Zij schrijft op haar website: ‘Ironically many great trainers have begun to write that it actually takes longer to ‘break’ a horse than the gentler methods of building trust. And the ‘broken’ horse is never as trustworthy. It’s time to embrace the new term ‘Starting’ and to shed our conversations of the word ‘Breaking.’ When people think about it, they will no longer be comfortable with the term. But many aren’t even aware that there is a different way to say it.’

Het antwoord in contact is uitgaan van vertrouwen. ‘Breken’ staat haaks op vertrouwen. Vertrouwen is uitgaan van heelheid en heel laten wat heel is. Breken is letterlijk breken wat heel is, het is de realiteit breken, forceren, geweld aan doen. We breken de realiteit wanneer ego-denken prevaleert, wanneer we willen controleren, bezitten, beheersen. Niet zelden laten we ons leiden door blind ‘willen’ – willen weten, willen hebben. De spirituele weg is een andere, niet wat ik wil maar doen wat de situatie vraagt, de weg van niet-doen, handelen in niet-weten, vanuit het mysterie van de bestaande eenheid, de natuurlijke band en daarmee vanuit oorspronkelijke afstemming in en met alles. Het gaat erom die afstemming met en tussen alles wat er is, in alle diversiteit die er bestaat niet te verstoren maar te bekrachtigen.

Het vereist dat je jezelf ervaart als deel van die eenheid, ja als drager, medium en hoeder daarvan. Met onze geboorte bezitten we al zoveel. Waarom doen we in ons leven toch zo hard ons best zoveel te vergaren, zoveel te bezitten en te controleren en beheersen? Waarom? Het is een blinde drift. We maken bijna een sport enkel ons eigen streven te volgen en keer op keer de realiteit te ‘breken’ – in de eigen familie, waar we werken, in het dagelijks verkeer. Waarom vragen we niet wat vaker ‘Wat is er nodig?’ alvorens te handelen? De Heilige Fransiscus sprak met bomen en dieren. Uitgaande van het gegeven dat we eenzelfde natuur bezitten, is dat niet vreemd. Monty spreekt op zijn wijze met paarden. Maar we kunnen ook met de dingen spreken, met een kopje, een vaas, een aardappel, een fiets of een auto, ook materie kunnen we vragen: Wat is er nodig? Wat kan ik voor je doen? Wat heb jij nodig?

Deze manier van vragen wordt vanzelf voortgebracht uit een diepe waardering en dankbaarheid voor alles wat er is, voor alles wat mij op mijn weg helpt en draagt. Koffie in een kopje. Een pan op het vuur. Water uit de kraan. We vinden het vanzelfsprekend en schenken er amper aandacht aan. Maar het is allesbehalve vanzelfsprekend. Het is wonderlijk, ja, magisch. Het is een van de belangrijkste oefeningen die ik cursisten mee geef. Ga na wat je zou zijn zonder allen en alles die jou op jouw weg hebben gedragen en ondersteund!

Ik ben en kan niets zonder anderen en zonder al wat mij wordt aangereikt. Alleen al op deze vierkante meter waarin ik deze woorden schrijf en ze via de website zichtbaar worden, zijn er tal van personen en objecten die mij op weg helpen. De laptop, de verbinding, de tafel, de stoel, de websitebouwer, het kopje en de thee erin, de woonkamer en het huis waar ik ben, de straat, de lucht en de zuurstof die ik inadem, de grond waarop alles gebouwd, de kleding die ik draag, het voedsel dat ik tot mij neem enzovoort, enzovoort. De lijst is eindeloos en gaat terug in de tijd, ver de tijd in de tijd waarin het zich steeds verder uitbreidt. Daarbij stilstaan en al dat wat ons hielp en helpt op onze levensweg is een duizelingwekkende oefening. En het is die oefening en praktijk die vanzelf diepe dankbaarheid en compassie wekt en je laat vragen: Wat kan ik voor je doen? Wat heb je nodig?

Foto: Lisanne Claessens