In de paardenhouderij bestaat sinds oudsher het fenomeen ‘een paard breken’. Het staat voor een proces waarin een paard met het nodige geweld tot gehoorzaamheid wordt gebracht, dikwijls door eindeloos berijden, soms met een been gebonden. Het is een weg van dwang tot onderdanigheid. De mens die het paard zijn of haar wil oplegt. De Amerikaanse paardenkenner Monty Roberts is wars van het begrip ‘breken’. Hij bestudeerde als jonge man de paarden in hun natuurlijke omgeving, leerde hun gedrag en eigenheden kennen en luisterde naar wat deze pure, natuurlijke dieren nodig hadden. Op basis daarvan ontwikkelde hij een gedragsvorm (géén methode!): Join-up. Hij zegt daarover: ‘Join-Up is based upon a communication system creating a bond rooted in trust and an environment of cooperation. It must be nonviolent, non-coercive and can only be accomplished if both partners have willingly entered the process. To gain Join-Up with your horse, it is necessary to step into his world, observe his needs, conditions and the rules that govern his social order.’

Jaren geleden bezocht ik met een van mijn dochters een workshop met Monty Roberts, in het Duitse Aken en zagen we hem aan het werk. Monty is nu in de tachtig en nog steeds actief. Zijn kleindochter werkt met hem samen. Zij schrijft op haar website: ‘Ironically many great trainers have begun to write that it actually takes longer to ‘break’ a horse than the gentler methods of building trust. And the ‘broken’ horse is never as trustworthy. It’s time to embrace the new term ‘Starting’ and to shed our conversations of the word ‘Breaking.’ When people think about it, they will no longer be comfortable with the term. But many aren’t even aware that there is a different way to say it.’

Het antwoord in contact is uitgaan van vertrouwen. ‘Breken’ staat haaks op vertrouwen. Vertrouwen is uitgaan van heelheid en heel laten wat heel is. Breken is letterlijk breken wat heel is, het is de realiteit breken, forceren, geweld aan doen. We breken de realiteit wanneer ego-denken prevaleert, wanneer we willen controleren, bezitten, beheersen. Niet zelden laten we ons leiden door blind ‘willen’ – willen weten, willen hebben. De spirituele weg is een andere, niet wat ik wil maar doen wat de situatie vraagt, de weg van niet-doen, handelen in niet-weten, vanuit het mysterie van de bestaande eenheid, de natuurlijke band en daarmee vanuit oorspronkelijke afstemming in en met alles. Het gaat erom die afstemming met en tussen alles wat er is, in alle diversiteit die er bestaat niet te verstoren maar te bekrachtigen.

Het vereist dat je jezelf ervaart als deel van die eenheid, ja als drager, medium en hoeder daarvan. Met onze geboorte bezitten we al zoveel. Waarom doen we in ons leven toch zo hard ons best zoveel te vergaren, zoveel te bezitten en te controleren en beheersen? Waarom? Het is een blinde drift. We maken bijna een sport enkel ons eigen streven te volgen en keer op keer de realiteit te ‘breken’ – in de eigen familie, waar we werken, in het dagelijks verkeer. Waarom vragen we niet wat vaker ‘Wat is er nodig?’ alvorens te handelen? De Heilige Fransiscus sprak met bomen en dieren. Uitgaande van het gegeven dat we eenzelfde natuur bezitten, is dat niet vreemd. Monty spreekt op zijn wijze met paarden. Maar we kunnen ook met de dingen spreken, met een kopje, een vaas, een aardappel, een fiets of een auto, ook materie kunnen we vragen: Wat is er nodig? Wat kan ik voor je doen? Wat heb jij nodig?

Deze manier van vragen wordt vanzelf voortgebracht uit een diepe waardering en dankbaarheid voor alles wat er is, voor alles wat mij op mijn weg helpt en draagt. Koffie in een kopje. Een pan op het vuur. Water uit de kraan. We vinden het vanzelfsprekend en schenken er amper aandacht aan. Maar het is allesbehalve vanzelfsprekend. Het is wonderlijk, ja, magisch. Het is een van de belangrijkste oefeningen die ik cursisten mee geef. Ga na wat je zou zijn zonder allen en alles die jou op jouw weg hebben gedragen en ondersteund!

Ik ben en kan niets zonder anderen en zonder al wat mij wordt aangereikt. Alleen al op deze vierkante meter waarin ik deze woorden schrijf en ze via de website zichtbaar worden, zijn er tal van personen en objecten die mij op weg helpen. De laptop, de verbinding, de tafel, de stoel, de websitebouwer, het kopje en de thee erin, de woonkamer en het huis waar ik ben, de straat, de lucht en de zuurstof die ik inadem, de grond waarop alles gebouwd, de kleding die ik draag, het voedsel dat ik tot mij neem enzovoort, enzovoort. De lijst is eindeloos en gaat terug in de tijd, ver de tijd in de tijd waarin het zich steeds verder uitbreidt. Daarbij stilstaan en al dat wat ons hielp en helpt op onze levensweg is een duizelingwekkende oefening. En het is die oefening en praktijk die vanzelf diepe dankbaarheid en compassie wekt en je laat vragen: Wat kan ik voor je doen? Wat heb je nodig?

Foto: Lisanne Claessens

Witte Donderdag – het laatste avondmaal, Goede Vrijdag – de kruisdood, Stille Zaterdag – herdenking van de dood van Christus, Pasen – de wederopstanding. Het zijn niet ‘zomaar’ verhalen en geen verhalen ‘over iets’ – ze verwijzen direct naar ons eigen leven, naar hoe we in dat leven staan. En naar wat ons in ons leven als spiritueel pad te doen staat.

De symboliek en spiritualiteit van deze dagen bevatten verschillende Zen-thema’s. De bestudering van de christenmystiek en van de Zen traditie zijn voor mij altijd hand in hand gegaan, met dank aan de Zwitser Gustav Jung, aan mijn eerste Zen leraar Nico Tydeman Roshi en aan mijn mentor Christenmystiek de Benedictijn Gerard Helwig (94) die in 2004 overleed.

Religieuze symbolen bezitten het vermogen en de kracht om een religie, en daarmee het complete levensverhaal van de mensheid en ons eigen bestaan, te verbeelden en vertegenwoordigen. Dat werd mij duidelijk toen op een dag in 2005, tijdens een meditatie een kruisbeeld in mijn woonkamer zijn mystieke ‘geheim’ prijsgaf en het eeuwige en het tijdelijke, het ongelimiteerde en het gelimiteerde, het absolute en het relatieve zich in dat beeld openbaarde. Al het tijdelijke en het eeuwige viel samen in en met dat kruisbeeld – het totale bestaan hier en nu, in alle hoedanigheden.

De horizontale balk toonde zich in dat moment als ons sterfelijke, tijdelijke leven in de tijd, de lijn van geboorte tot dood. De verticale balk, geworteld in NU, was het beeld van het ongeborene, het onaantastbare, de bron van alles, het Licht, het eeuwige. Die eeuwigheid is de sacrale geboorteplaats van en vindt een expressie in al het tijdelijke, het niet-duurzame, het vergankelijke, alles van vorm en naam. Van dat eeuwige, deze tegenwoordigheid en aanwezigheid, zijn niets en niemand uitgesloten.

Beide balken – de horizontale en de verticale – kruisen elkaar. En het is in dat kruispunt van het verticale en het horizontale waarin het ‘hier en nu’ zich (altijd en eeuwig) ontvouwt, waarin het bestaan zich afspeelt, in ieder van ons! Wat we ook doen, waar we ook zijn, onder al ons handelen, gaat de eeuwigheid, de oneindige openheid schuil. Zoals we in Zen zeggen: of we de ene voet optillen, of de andere neerzetten, we verlaten de plek van Verlichting (de eeuwige Boeddhanatuur) nimmer. Lucas 17:21 stelt: ‘En ze zullen níet zeggen: zie, hier!, of: daar! want zie, het koninkrijk Gods is in uw midden!’

Boeddhanatuur, het Koninkrijk Gods, het is in ons! Het kruispunt ligt onder onze voeten.

Terwijl we altijd in dat kruispunt verkeren, ja, het met ons leven lijfelijk manifesteren, beleven we doorgaans vooral de horizontale tijdlijn waarop alle wereldse gebeurtenissen op afstand lijken plaats te vinden plaatsvinden. Die illusie van afstand hebben we omdat we vooral naar buiten hebben leren kijken, we hebben leren zien met de ogen van een individu, niet met de ogen van de ruimte. We zijn opgevoed en geschoold in termen van ‘jij en de omgeving’. We herkennen onszelf te weinig in de omgeving, het voelt als vreemd, soms als bedreigend. Het bestaan is een ervaring die zwenkt tussen vreugde en verdriet, succes en falen, een wereld van tegenstellingen en tegenstrijdigheid waarin we geneigd zijn of ons gedwongen voelen te kiezen. En hoe realistisch die ervaring ook is, het is slechts één kant van de zaak.

De spirituele training van Zen (of elke ander spirituele beoefening) is ontwikkeld om ons te helpen herinneren aan de ‘andere’ kant, de bron van dit alles, de geestgrond waarin we staan en waaruit alles oprijst. Dat wekken van de Grote Herinnering gebeurt door de bestudering van spirituele teksten, in het onderhoud met een geestelijk leraar en via meditatie/gebed. Al dat helpt ons de wereld te ‘verzaken’ en in het geleidelijk afdalen in ons bewustzijn. Door meditatie en contemplatie, het zitten in ‘niet-doen’ (Zazen) wekken we de stilte der eeuwigheid in ons. het is de stilte die in al het gewoel (samsara) van de wereld schuil gaat, de stilte die onze geest kalmeert en die ons helpt  uitstijgen boven dat gewoel en ons in een rechtstreekse ervaring verenigt met onze oneindigheid (nirvana).

Zo vallen we op een zeker moment als sterfelijk mens samen met onze eeuwigheid – in het punt waarin de balken van het beeld elkaar kruisen en ervaren we samsara en nirvana als zijnde één. De hemel blijkt schuil te gaan in de weerbarstigheid (de ‘hel’) van de wereld, de weerbarstigheid die we in onszelf creëren doordat we hangen aan en ons identificeren met alles wat ons ego voortbrengt waardoor we (ver)dwalen in het eigen bewustzijn.

Sterven aan het kruis is het moment van overgave en de bevrijding uit dat dwaalspoor van het bewustzijn. Het staat voor het ‘vallen van lichaam en geest’, het binnengaan in de stroom van oneindigheid (Prajnaparamita) die de bron van alle bestaan is, en daarmee van ons mens en ons bewustzijn. Daarmee ervaren we de werkelijkheid – onbelast door wat we ervan maken, niet verkleind door de namen die we aan alles geven, of verhuld achter concepten, opvattingen en oordelen. Het universum kan zich tonen in de volle oorspronkelijkheid. De bergen en oceanen, de hele mensheid, de maan, de zon en sterren – het is allemaal ‘hier’ en wordt in ons, in dit lichaam ten volle ervaren.

Afdalen in jezelf betekent meer en meer zien van jezelf en daardoor meer en meer zien van de ander. Het opent ons voor de vreugde en het verdriet van de ander, voor het gegeven dat we in ons mens-zijn niet zoveel van elkaar verschillen, ja, dat we in feite allen familie van elkaar zijn. En dat er buiten al het zichtbare om ‘iets’ is dat alles voortbrengt, bindt en verenigt. Het ‘vallen van lichaam en geest’ staat voor loutering van de geest, het ervaren dat alle begripsvorming, alle woorden, de werkelijkheid niet weergeven. Een ‘boom’ of een ‘mens’ zijn oneindig veel meer dan de vier letters die naar hen als fenomeen verwijzen. Als het geen ‘boom’ en geen ‘mens’ is, wat is het dan wel?

Al dit herinnert ons aan een groot en machtig gegeven: We leven in de palm van Gods (of de Boeddha’s) hand, wat we ook doen, waar we ook zijn, ieder ogenblik. Het is nooit anders geweest en zal nooit anders zijn. Ons daaraan herinneren, het nu en dan werkelijk ervaren, dat is de spirituele beoefening die we dagelijks onderhouden.

Dat brengt ons tot de Paasdagen. Na het sterven aan het kruis volgt de opstanding uit het graf. Je kunt het vertalen als: de cirkel van oorzaak en gevolg doorbreken, opstaan, je masker laten vallen, stáán voor je leven, worden wie je nog niet eerder was. Loskomen van je ego-gerichtheid, je overgeven aan en geleid weten door het grote, oneindige, ongeboren geheel dat een expressie in ieder van ons vindt (we zijn immers geschapen naar Gods beeld). Het staat voor: leven in waarachtigheid. Je masker laten vallen, is de illusie loslaten, de gehechtheid aan de opvattingen over jezelf en anderen laten vallen, loskomen van de ingesleten conditie dat we in de wereld, voor het oog van anderen, ‘iemand’ moeten zijn, een ander dan die we van nature zijn. Het is: uit je graf van pretenties opstaan, je authentieke zelf kunnen en durven manifesteren, opstaan en wandelen in waarheid. Zonder ooit te (willen of kunnen) weten wat die waarheid is, in al je kracht en in al je kwetsbaarheid. Leven in niet-weten. Enkel wandelen en handelen omwille van het wandelen en handelen. Zijn omwille van het zijn. Geheel, onvoorwaardelijk vertrouwen op wat ‘is’ en wat door ons heen gaat, ieder moment.

Foto: Weebly.com – het lege graf van de wederopstanding

Soms hoor je mensen die, met al hun goede bedoelingen, het leven willen relativeren en zeggen: ach, goed beschouwd rommelen we maar wat aan. We rommelen maar wat aan. Is dat wat het krijgen van kinderen en hun opvoeding is, aanrommelen? Het bereiden van eten en de verzorging van het huishouden in een huishouden, is dat aanrommelen? Is dat wat artsen en verpleegkundigen of politiemensen of docenten doen, of mensen in de ouderenzorg? Of het lot van (ongeneeslijk) zieken? Of wat automonteurs doen als ze je auto nakijken? Wat de gemeentelijke ambtenaren doen, of piloten? Is dat wat de regering doet? Of wat slachtoffers in een op de 7 huishoudens ondervinden waar sprake is van huiselijk geweld? Rommelen de medewerkers in een supermarkt maar wat aan? Of de boeren en vissers die dag in dag uit voor ons voedsel zorgen? Mogen we de overlevingstocht van bootvluchtelingen ‘een maar aanrommelen’ noemen, of de demonstraties voor democratie in autoritaire regimes? Of het handelen van autocraten?

Je hoort ook wel mensen zeggen: neem jezelf toch niet zo serieus. Het kan niet serieus genoeg genomen worden. Dergelijke relativering miskent de enorme inspanning die zeer velen zich getroosten om dit bestaan een vorm, inhoud en betekenis te geven. Het miskent de onmisbare en onmiskenbare inzet van zovelen voor anderen. Zelfs als we thuis zijn en een middag niet weten wat we zullen doen en we dat kwalificeren als aanrommelen, missen we daarmee de essentie. Aanrommelen bestaat niet. Een persoon zei me eens dat zoveel van wat we doen ‘triviaal’ is. Mijn opvatting staat daar vierkant tegenover – alles wat we doen en denken doet er toe. Iets triviaal noemen, of aanrommelen of zeggen ‘neem het niet al te serieus’ doet het leven schromelijk tekort, is een diskwalificatie van de inspanning van velen. En van je eigen leven. Immers, wat een ander doet draagt bij tot wat wij zelf doen en zijn. En andersom. En je wilt toch niet je unieke bijdrage een kwestie van ‘aanrommelen’ is.

Ook als we het ergens niet mee eens zijn, van alles vinden van wat iemand doet, is en blijft het van groot belang die inspanning die mens zich getroost niet uit het oog te verliezen. Onze levensweg is lang en gelardeerd met en gevormd door tienduizenden situaties. En elke situatie heeft ons gebracht op het punt waar we staan en zijn. Het is dankzij de inbreng van velen, van vele, vele handen dat we dat punt hebben kunnen bereiken. En geen van die momenten was triviaal of een kwestie van ‘aanrommelen’.

Foto: Unsplash – Bofu Shaw