Soms zeg ik tegen studenten en cursisten die ik begeleid: ‘‘Het’ is er vanzelf, ‘het’ gaat vanzelf maar we staan ‘het’ in de weg, we gaan er om een of andere reden tussen staan.’

De vragen hierop variëren van ‘Maar wát gaat dan vanzelf? En ‘Waar sta ik dan tussen?’ Soms spreekt er enige wanhoop uit, vooral wanneer men al vele jaren Zen beoefent. De makke zit ‘m, eerlijk gezegd, soms juist in het begrip beoefening. Want wat we beoefenen, ís niet te beoefenen. De beoefening zelf – het zitten op een kussen of bankje, het lezen van spirituele teksten, het luisteren naar een inleiding (teisho) van een leraar – dát is het al. Maar ook de tijd en activiteiten die we zo vaak beschouwen als iets buiten de zenbeoefening (zoals werken, boodschappen doen, koken, eten, naar een feestje of de bioscoop gaan), ook dát is het. Het is het leven, het onverdeelde bestaan in alle volheid dat zich ieder moment aan ons voltrekt – in vreugde en verdriet, of we nu zoeken of niet zoeken, en of we leven in bevangenheid of momenten van onbevangenheid ervaren. Of we het nu zien of niet zien, ervaren of niet ervaren, we kunnen niet van de Weg af.

Zenbeoefening werkt soms in ons door als in de monnik die streng mediteerde waarop zijn leraar hem vroeg: ‘Wat doe je?’ De monnik antwoordde, ‘Ik wil verlicht worden!’. Waarop de leraar een dakpan oppakte en met een doek ijverig begon te wrijven. De monnik keek verbaasd en vroeg: ‘Wat doet u, eerwaarde?’ ‘Ik maak een spiegel van deze dakpan’, antwoordde de leraar. ‘Maar eerwaarde’, stamelde de monnik: ‘Dat kan toch helemaal niet! U kunt van een dakpan toch geen spiegel maken!’ Waarop de meester sprak: ‘Zo min als dat kan, zo min kun jij iets worden wat je allang bent.’

Met andere woorden: wat we beoefenen, is niet te beoefenen. De beoefening zelf belemmert in feite het inzicht dat het de beoefening zelf is! Maar wat is ‘het’ dan? Tja, dat kan alleen de glimp of doorbraak van een eigen onverdeelde ervaring uitwijzen. Het enige wat we kunnen zeggen, is: je belichaamt het al, je draagt het met je mee, het gaat door je heen, het is wat je laat zitten, laat opstaan, laat horen, spreken, ruiken, voelen enz. Het is grenzeloos, peilloos, het is het Licht in onze ogen. Het is er al, volledig. En toch stimuleren we onze cursisten met toewijding te blijven beoefenen. En op de vraag: ‘maar wat ‘het’ is dan?’ past maar één antwoord: Geen flauw idee!

(Foto: de daisan-ruimte – de ruimte voor het persoonlijk onderhoud in de Abdijhoeve, St.Willibrordsabdij in Foetinchem)

Wanneer we onze geschillen en de zo vaak gebezigde nadruk op onderscheid en tegenstellingen (dualiteit) voor een moment terzijde kunnen schuiven en rechtstreeks in ons hart (onze geest) kijken, kunnen we de ander werkelijk als medemens zien. Geen wezenlijk verschil. We komen voort uit een gemeenschappelijk hart, we zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden en wederzijds van elkaar afhankelijk. We leven met alles en iedereen in een alomvattende en onlosmakelijke samenhang. De Engelse dichter John Donne zei het al: Geen mens is een eiland.

Vind troost en kracht in wat gaande is, het bevat en vertelt alles wat er te vertellen valt. Het bestaan is zo onvermijdelijk, zo direct en zo onmiddellijk – in alle aspecten – vreugdevolle en verdrietige. Het kan je overweldigen en zo zacht zijn als een zomerbries.

Terugkijkend op alles, komt in me op: het is goed, het had niet anders kunnen zijn. Wat die oneindige veelheid en variatie aan indrukken en ervaringen mij heeft geleerd, is te vertrouwen. En open te staan en te zien wat er gaande is op de plek waar we zijn en gaan. Daar en alleen daar speelt het mysterie zich af en ontvouwt zich een schatkamer, telkens weer. Daar ook, op die plek, in ons, zijn degenen die ons nabij zijn en zijn we familie. Ik houd van die wetenschap, dat simpele besef, het schenkt een hele diepe troost en neemt veel zorgen en oordelen weg.

Ben Sensei