In deze maanden wordt de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden herdacht. (zie de NOS-site). We herdenken de bezetting, ook die in vele andere landen, de gruwelijke onderdrukking en de immense gevolgen, de vele miljoenen mensen die in die oorlog stierven. We beseffen niet altijd dat die oorlog destijds wereldwijd aan 55-70 miljoen mensen het leven heeft gekost. Onvoorstelbaar. De waan van sommigen kan miljoenen in zijn greep krijgen en eenmaal ontketend is de kracht van het geweld amper of zelfs niet meer te beheersen.

Een van de personen die er aan den lijve mee werd geconfronteerd, is Etty Hillesum, een jonge Joodse schrijfster die in maart 1941, ze was toen 27, een dagboek begon. Ze bleef daarin schrijven, evenals in vele brieven, bijna tot op de dag dat ze vanuit kamp Westerbork, waar ze vanaf eind juni 1942 met tussenpozen zat, met haar ouders en haar broer Mischa naar Auschwitz werd deporteerd. Daar overleed ze op 30 november 1943. Vermoord, omdat ze Joods was. Etty volgde een pad van inkeer, een spirituele weg, als autodidact, geheel op eigen kracht, een kracht die haar verlangen  naar zingeving aanwakkerde, een kracht die haar deed uitstijgen boven de weerbarstigheid, boven de gevaren en boven de waanzin van alledag. Niet door dit alles te omzeilen of te ontkennen maar juist door alles toe te laten, zich ervoor open te stellen, zonder reserve, onvoorwaardelijk, door dit alles te verteren als zijnde haar bestaan en aldus door te dringen tot de diepten van alle dingen.

Een belangrijke gewaarwording in haar vroege schrijfperiode is wanneer ze beseft hoe ‘zinnelijk’, ja ‘hebberig’ ze is, dat ze datgene naar waar ze lichamelijk sterk verlangt, wil hebben, een verlangen dat langs die weg ‘nooit te bevredigen was’. Ze ontdekt dat ze door naar buiten te kijken op een dwaalspoor zit. Ze wordt ertoe bewogen op zoek te gaan naar een andere mogelijkheid ‘bij het leven te komen’. In september 1942 schrijft ze dat ze niet goed weet hóe bij het leven te komen. ‘Dat was, omdat ik nog niet bij het leven in mijzelf gekomen was.’

Temidden van de onmenselijke hogedrukketel van de oorlog en de vervolging van de joden, leert ze door te dringen tot haar kern. En daarmee tot de kern van ons aller bestaan. ‘Het leven in mij heb ik weten te bereiken ( )’. Ze omschrijft de weg er heen als volgt: ‘Ik heb bij mensen wel eens het gevoel of ze te massief zijn, ze me het uitzicht op iets benemen, een gevoel, ze van me af te willen duwen. Wat verwacht je voor een uitzicht, als je al het substantiële om je heen wegduwt? Verwacht je daar dan de échte werkelijkheid? Niet het substantiële wegduwen, maar doorhéén kijken, het zó doorbelichten met je begrip dat het transparant wordt en de daarachterliggende werkelijkheid opduikt. Niet wegduwen, omdat je dan in het luchtledige komt, maar dóórlichten. ( ) Je hebt nergens voor je zelf een houvast aan concrete dingen in deze dagelijkse werkelijkheid, je gaat er aan voorbij omdat je opzoek bent naar een andere werkelijkheid, maar die weg gaat alleen maar door die substantiële, grijpbare, realiteit. Als je die verwaarloost, tuimel je op een gegeven moment in het luchtledige en mis je je houvast. En sta je daar opeens als een dronken dwaas.’

Ze doorklieft de wilde, ja, overweldigende golven van de gebeurtenissen en ervaart de grote oceaan in zichzelf: ‘Wanneer men, na een lang en moeizaam proces, dat dagelijks verder gaat, is doorgebroken tot die oerbronnen in zichzelf, die ik nu maar God wens te noemen, en wanneer men er voor zorgt, dat die weg tot God vrij en onverbarricadeerd blijft – en dat geschiedt door ‘werken aan zichzelf’ – dan vernieuwt men zich steeds weer aan die bron en dan hoeft men ook niet angstig te zijn, dat men te veel krachten geeft.’ ( ) ‘En zo is mijn levensgevoel tegenwoordig: mijn leven gaat als een grote, rijke, machtige stroom door me heen, gevoed door oneindig vele kleine bijriviertjes…’

Ze komt in Westerbork en verstaat de medemens en tijd: ‘En toen werd ik plotseling geslingerd in een brandpunt van menselijk lijden, aan één van de vele kleine fronten die over heel Europa zijn. En daar beleefde ik plotseling dit: uit de gezichten van de mensen, uit duizenden van gebaren, kleine uitingen, levensgeschiedenissen, begon ik deze tijd – en veel meer dan deze tijd alleen – bijeen te lezen. Doordat ik in mezelf had leren lezen, bemerkte ik, dat ik ook in anderen kon lezen. Het is me daar werkelijk geweest, alsof ik met gevoelige vingertoppen getast heb langs de contouren van deze tijd en van het leven. Hoe komt het toch, dat dat met prikkeldraad omrasterde stukje heidegrond, waar zoveel mensenlot en –lijden áán en dóórspoelde, als bijna liefelijk in m’n herinnering is achtergebleven? Hoe komt het dat m’n geest daar niet verduisterde, maar veeleer verlicht en verhelderd is? ( ) Daar tussen de barakken, vol opgejaagde en vervolgde mensen, heb ik de bevestiging gevonden van mijn liefde voor dit leven.’

Haar innerlijke proces roept ons allen aan. Het gaat er niet om wat we ervaren weg te drukken of te ontkennen, integendeel. Het is juist dát, die directe ervaring in en van ons alledaagse bestaan, waar de ingang tot onze innerlijke wereld zich bevindt. Ze schrijft: ‘Men loopt zo vaak weg van zichzelf – men ziet en hoort dit voortdurend om zich heen –  onder het motto: dat is toch niet belangrijk, of: er gebeurt zoveel belangrijks in de wereld, dan kan ik toch niet teveel drukte van mezelf maken. En er blijft zo verschrikkelijk veel in deze mensen liggen als onverwerkte grondstof, omdat ze geloven dat hún grondstof de moeite van het bewerken niet waard is.’

‘Ach we hebben het toch immers alles in ons, God en hemel en hel en aarde en leven en dood en eeuwen, vele eeuwen. Een wisselend decor en handeling van de uiterlijke omstandigheden. Maar wij dragen alles in ons en de omstandigheden zijn tóch niet het doorslaggevende, omdat er immers altijd omstandigheden zullen zijn, goede en slechte en het féit van de omstandigheden, de goede en slechte moet men aanvaarden, wat niet belemmert, dat men zijn leven er aan kan wijden de slechte te verbeteren. Maar men moet weten, uit welke motieven men die strijd voert en moet beginnen bij zichzelf, iedere dag opnieuw bij zichzelf.’

Bron: En mijn verrukte ogen lezen – Etty Hillesum lezing 2000

Foto: Kamp Westerbork , kunstenaar: Ralph Prins (foto: Gouwenaar – Wikipedia)

 

Wat voor velen herkenbaar zal zijn, is de worsteling tussen voor jezelf zorgen en voor de ander, voor de omgeving. Hoe bewaar ik daarin een soort van evenwicht? Is er een mogelijkheid te handelen in dienst van mezelf en tegelijkertijd van de omgeving? Hoe bewaar ik een zekere gelijkmoedigheid onder de omstandigheden en in situaties? Hoe kan ik bij de ander laten wat bij de ander hoort? Dat zijn grote uitdagingen die ons een leven lang bezig houden. We komen daarin onvermijdelijk telkens weer onze patronen en conditionering tegen. In feite drukken situaties en de personen daarin telkens op knoppen die van alles in ons oproepen. Het is niet altijd wat we willen en waar we om vragen. De omgeving en anderen op afstand zetten, is een mogelijkheid. En soms nodig. Maar het is maar één facet. Want een ander facet is wat ons in de directe ervaring wordt getoond: namelijk dat we onlosmakelijk en onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Elke situatie heeft in die zin twee kanten van een en hetzelfde: mijn persoonlijke indruk en ervaring als zijnde de uitdrukking van totale openheid, het Ene waarvan niets en niemand is uitgesloten.

In mijn ogen is elke situatie en elke ervaring een uitnodiging om daarnaar te kijken en waar mogelijk de emoties en gevoelens die opkomen ‘te laten’, er niet al te veel mee te doen, niet te voeden. Dat verheldert, zowel de patronen, als de eenheid en verbondenheid. Het kan me duidelijk maken dat handelen geboden is. Of afwachten. Of het helemaal laten rusten. En daar kan nu juist meditatie behulpzaam zijn. Het is als een brug tussen realisatie en manifestatie. Onze beoefening biedt een mogelijkheid om in onszelf tegelijkertijd tegenover onszelf plaats te nemen en te zien wat er gaande is. Niet alleen op het kussen maar door de dag heen, in ons alledaagse bestaan, uiteindelijk als zijnde ons alledaagse bestaan. Niet zozeer om een begrijpelijk antwoord te krijgen, maar vooral om zaken die we lastig vinden, toe te laten, om te beseffen: dat is (ook) mijn bestaan, dat ben ik ook. In feite weten we op een of andere manier wel wat ons te doen staat, en de vraag daarbij is steeds, wat hindert mij?

Siddharta’s reis is onze reis, die van jou en die van mij. De Boeddha, dat zijn we als zijnde de expressie van een universele natuur (ons groot hart) waarin alles en iedereen plaats heeft. Onze natuur is universeel.  Graag citeer ik de uitspraak van een Sjamaan uit het Amazonegebied: ‘We behoren onszelf niet meer toe, we maken overal deel van uit.’ Daartoe ontwaken is één aspect, het weerbarstige, alledaagse leven in dat Licht gaan zien, is een ander’. Blijf doorgaan! Blijf trouw aan je dagelijkse voornemens: Ik neem me voor het kwade te laten, het goede te doen, en mijn geest te onderhouden.

Klik hier voor de Zen Cirkel Nieuwsbrief augustus 2019

Graag plaats ik hier een citaat van een Sjamaan uit het Amazonegebied: ‘Uit deze open plek zonder tijd komt de kracht. Door dit hart groeien wortels onder de grond. Hierdoor groeien de takken naar de hemel toe. In dit zaadje zit de kracht die alles boven ons en onder ons verenigt. De kracht waardoor dieren ademen. Waardoor mensen lopen. Deze plek kunnen alleen wij eeuwigen binnen gaan. Velen willen de sleutel om zich er meester van te maken. Zij snappen niet dat het doel anders is. Dat is het bereiken en bewaren van de heilige kennis van de aarde. Zij snappen niet dat ons hart dankzij haar klopt. En die hartslag houdt ons bijeen. Dit is het bewustzijn van het universum. Wie daar binnen gaat beseft: We behoren onszelf niet meer toe, we maken overal deel van uit.’

Dat ‘overal’ is een ruimte die geen beperkingen kent, waarin alles is en er mag zijn. De ruimte waar geen tijd is laat geen mens met egoïstische motieven toe. Dan blijft de deur gesloten en de eenheid van het hart verborgen. Eenheid vraagt om overgave, jezelf vergeten en achterlaten. Dat is wat wordt bedoeld met ‘wij eeuwigen’. Wij zijn eeuwig van nature, onze kern is eeuwig, vol kracht, vol energie en verenigt alles. De Sjamaan citeert in eigen bewoordingen het principe van het Koninkrijk Gods in ons. Hoewel het de kracht is die alles schept, die zich in ons manifesteert kan niemand er zomaar binnen gaan. De eersten zullen de laatsten zijn. Enkel wie arm is (volledig open en onbevangen) van geest en kan zijn als de kinderen heeft er toegang toe. Dan wordt helder dat we in de kern onszelf niet toebehoren, en dat we, wat in zen de Grote Weg wordt genoemd, al gaan. De Grote Weg, ofwel het hart waarvan de Sjamaan rept, de open geest, het Koninkrijk Gods. Daarin is alles waarvan we altijd al deel hebben uitgemaakt. Het is nooit anders geweest.

We leren over het onmetelijke dat we met ons meedragen door ons door de situatie bij de hand te laten nemen en te luisteren naar wat die ons vertelt, door daar van te leren, steeds weer en door steeds weer opnieuw onze hechting aan het geleerde en aan het oude achter te laten en nieuwe, ongebaande paden te betreden. Dát is onze levensweg. Alleen zo kunnen we ons bevrijden van ontregelende gehecht-heden. We zijn er niet om de wereld of om anderen te veranderen of te verbeteren maar om Gods gelaat te zien in alles wat zich voordoet en in alles wat is en om je daaraan te laven, het vol in te ademen (in vreugde en verdriet) en langs die weg als mens te groeien,door te handelen. Steeds opnieuw, elke dag weer. In die zin hebben we ons leven zelf in de hand, als we leren luisteren naar dat leven, niet door ons te klampen aan wat er in ons opkomt maar door wat het volgende moment ons vertelt.

Rinzai en Soto zijn de twee grote stromingen die in eeuwen van ontwikkeling waarin tal van scholen en nieuwe stromingen het licht zagen, kwamen bovendrijven. Beide lijnen vinden hun oorsprong in het 7e- en 8e eeuwse China. Ze markeerden de bloeitijd van Ch’an in de Tang-dynastie (618- 907). In de 11e-12e eeuw vond de oversteek van beide lijnen naar Japan plaats. Hakuin Ekaku Zenji (1686-1769), geldt als een van de grote Japanse zenleraren van Rinzai van de laatste eeuwen.

Hij stamt uit een dorp aan de voet van Mount Fuji en verbleef het grootste deel van zijn leven in het klooster Shōin-ji in die regio. Op 31-jarige leeftijd werd hij er priester en ontving hij zijn boeddhistische naam Hakuin, wat zoveel betekent als ‘gehuld in wit’, refererend aan Mount Fuji. Hakuin had, na eerdere momenten van verlichting in zijn leven, zijn echte grote ervaring toen hij 41 was. Hij schreef veel – teksten en verzen, hij liet zijn werk drukken en citeerde er zelf uit in zijn teisho’s.

Hakuin was zenleraar in een traditie die al enkele eeuwen lang onderhevig was aan verval. Er werd volop gehandeld in koans, boeddhistische functies en in tal van kloosters was meer aandacht voor zogenaamde zenkunsten dan voor gedisciplineerde zentraining. Hakuin’s voorgangers, als Gudo Toshoku en Shidô Bu’nan, hadden deze ontwikkeling al bekritiseerd en diepgaand betreurd. Het is Hakuin’s enorme verdienste dat hij de koanstudie, die hij hoog inschatte, opnieuw ordende en vorm gaf. Hij benadrukte het eminente belang van de voortzetting van de zentraining na het realiseren van ontwaken, als weg van verdere loutering en zuivering. De rode draad van het boeddhistische pad was volgens Hakuin het praktiseren van ‘diepe compassie en verbondenheid teneinde alle wezens waar ook terzijde te staan’.

In een van zijn werken staat deze koan: ‘Priester Wu-tsu Fa-yen instrueerde de gemeenschap: ‘Eet het fruit! Maak je niet druk over de vorm en kromming van de boom.’

De genoemde koan duidt op een belangrijk, ja wezenlijk, aspect: blijf niet hangen in analyses van woorden over zen die je hoort of leest, denk niet dat ontwaken afhangt van meditatie, raak niet verstrikt in je eigenzinnigheid (je ego doet niets liever). Eet het fruit: dring door tot de waarheid van je geest! Het doet denken aan een koan uit de vroeg Chinese Ch’an tijd: ‘Vergeet het vangnet, grijp de vis’.

Soto-leraar Dogen Zenji spreekt van ‘Lichaam en geest laten vallen’ teneinde in het Licht van de onmiddellijkheid te staan. Zo nabij, zo lastig te realiseren. Het is en blijft bijzonder dat door de eeuwen heen een enorme traditie is ontwikkeld, met talloze soetra’s, rituelen en ceremonies, enkel om ons erop te wijzen: het is hier, onder je voeten, daar gebeurt het, het is je geest waar alles ontstaat en verdwijnt, zoek niet verder!

(Foto: Hakuin Ekaku, zelfportret, Eisei Bunko Foundation)

Wat dit leven schept verlaat ons nimmer

In iedere handeling, in elke  gedachte,

In al ons gevoel schuilt het onmetelijke

Het is de kracht, de troost

De liefde, de grond waarin we allen zijn

het is ons zien, ons spreken en aanraken

Ons bewegen en bidden

Het licht in onze ogen

Wij zijn als klei in de handen

Van het scheppende

Dat ons vormde en vormt naar het eigen beeld

En in dat beeld, precies zoals het is

Ontbreekt niets –

In alles, ieder ogenblik klinkt het fluisteren

Vrees niet, twijfel niet

Ik heb je lief, tot in eeuwige dage

(foto: Scott Webb-Pexels)

Het spirituele pad is de verschuiving van ‘ik’ naar ‘niet-ik’ en vervolgens het leren voorleven van die ervaring van ‘niet-ik’ (of eenheid) in ons alledaagse leven. Dat is een levenslang durend nooit eindigend proces. Het is boeiend van begin tot einde, enorm dynamisch, vol vreugde en verdriet waarin we telkens weer nieuwe en onvermoede kanten van onszelf tegenkomen en (kunnen) ontplooien. We leren onze patronen en conditionering ontdekken en ook waarderen – ons verleden en al onze banden met de familie maken ons grotendeels ook wie we als persoon zijn. Sommige patronen kunnen we wellicht transformeren, anderen minder. Dat onderzoeken is deel van het spirituele proces. In de meditatie heten we alles wat opkomt welkom. We leren wat opkomt te ‘laten’, niet te voeden, niet groter of kleiner maken dan het is. Gewoon ‘laten’. Komt er weerstand op, gewoon laten komen EN laten gaan. Waarbij er uiteraard altijd de mogelijkheid (en soms noodzaak) is te onderzoeken waar weerstand of andere gevoelens, gedachten en emoties hun grond vinden, niet als ego-activiteit maar om de natuurlijke verbinding te verdiepen. Door meer en meer in onszelf te zakken (afdalen in ons bewustzijn, aldus Johannes van het Kruis) komen we letterlijk onszelf tegen en kunnen we knopen die vastzitten ontvlechten en de energie daarin de vrije loop laten.

Ongeacht in welke situatie we zijn, het is van belang dat we diepgaand ervaren dat we een weg gaan en dat we die weg belichamen, of we nu weerstand voelen of niet. De weg, dat is de ‘geest’ of bron die zich in alles en iedereen uitdrukt en waarvan niets of niemand uitgesloten is. Elk moment rijst alles op als reflectie van die bron en in hetzelfde moment verdwijnt het weer. Het gaat naadloos en in dat naadloze (of Ongeborene) zijn verleden, heden en toekomst EEN. In de momenten van overgave (momenten van volledige, onverdeelde aanwezigheid) kunnen we vervuld raken van alle gaven en kan die enorme energie zich in ons mens onweerstaanbaar uiten in grote liefde, compassie en medeleven.

(foto: Tina Nord -Pexels)

We zijn verbonden, altijd en overal, in welke positie of situatie we ook zijn. Meditatie heeft twee grote ‘doelen’- we komen onszelf tegen wat van belang is voor zelfonderzoek en groei. En het opent ons voor het mysterie dat zich uitdrukt in alles en iedereen en wat zich in ons als mens en in onze beleving van alledag (alle verschijnselen) manifesteert. Uiteindelijk ervaren we dat we onlosmakelijk met alles en iedereen verbonden zijn, wederzijds afhankelijk, dat alles en iedereen ‘mij’ beweegt en, tegelijkertijd, dat dit leven zoals ik het ervaar ongebaand is en alleen door mij kan worden gegaan en geleefd. Dat is waarom ik vaak zeg: het gaat er niet om christen of boeddhist te zijn of te worden, het gaat erom mens te worden en te zijn, zo volledig mogelijk mens te zijn, naar vermogen. Dat is de uitdaging van het pad te midden van een wonderlijk en tegelijk zeer weerbarstige wereld. Het leven moet geleefd worden, we kunnen en mogen ons er niet aan onttrekken. Er is geen plek waar we kunnen vluchten voor onszelf. Elke stap, elke daad, elke gedachte doet er toe. Daarom benadrukt zen ook zo: laat geen tijd verloren gaan.

Onze Oergrond – God het Zelf, Boeddhanatuur – is één grenzeloze oceaan van stilte, van Licht, energie waaruit alles oprijst en waarin alles verdwijnt, in dit ene moment. Stilte is een kwaliteit van de grond waarin alles verbonden en onlosmakelijk met elkaar samenhangt. Daar, in de Oergrond, gebeurt ‘niet-iets’, God ’is’, Ongeboren, Onnoembaar, Onwezenlijk, zonder kenmerken. Het verenigt onze beleving van verleden, heden en toekomst, van ruimte en tijd, leven en dood, het sluit niets en niemand uit en vindt een expressie in alles en iedereen, in alles van vorm en naam. Stilte is derhalve niet het tegenovergestelde van geluid maar ligt onder spreken en zwijgen. Het Eeuwige manifesteert zich aldus in het tijdelijke. Het is de vruchtbare bodem van ons bestaan – nirvana. En het wordt samsara door wat wij ervan maken, door onze hechting aan het tijdelijke en de veelheid, met onze voor- en afkeer, dat is waarom we zo dikwijls verdwalen in het gedoe van alledag. Tegenstellingen en verdeeldheid ontstaan vanuit ons onvermogen, onze onwetendheid van wat werkelijkheid is, de samenhang van en eenheid in alle dingen.

In onze opvoeding en scholing zijn we niet vertrouwd geraakt met de eenheid maar met de veelheid, de uiterlijke wereld. En het zijn de spirituele wegen die ons helpen herinneren waar we zijn,  waarin we staan en wat we in werkelijkheid zijn. Waar is God, Boeddhanatuur? Wel, hier op de plek waar we zijn. Waar we zijn, daar is ons pad, het pad als metafoor voor onze geest of Oergrond waarin alles verschijnt en één is. Daar, in ons, ontspringt het universum. De onophoudelijke verandering die we menen waar te nemen is niet zozeer een verandering in de tijd – het doet zich voor in het tijdloze waarin we staan. Als ware het een  caleidoscoop brengt het ene onzichtbaar en naadloos maar onstuitbaar het andere voort. Dit ons weer her-inneren, in het bewustheid brengen en voor-leven is de weg van zen, de weg van meditatie – realisatie – actualisatie.

 

(Foto: Lotte Claessens)