De Indiase boeddhistisch filosoof Santideva leefde in de 8e eeuw en is de auteur van het klassieke werk Bodhicaryāvatāra – Het Pad van de Bodhisattva. Direct in het begin van zijn werk reciteert hij de gelukkige omstandigheid van zijn gunstige wedergeboorte, iets dat uiterst moeilijk te bereiken is, namelijk het menselijk bestaan. Hem vrijelijk vertalend, stelt Santideva dat zij die de Boeddha (Zen) weg volgen, zich in gelukkige omstandigheden bevinden. Ze zijn om te beginnen geboren als mens en hebben vervolgens in hun leven kennis kunnen maken met de Leer van de Boeddha. Een Leer waarvan de essentie de essentie van dit ogenblik is.

De eerste gelukkige omstandigheid betekent een werelds leven leiden, opgroeien, scholing ontvangen, relaties aanknopen, je verantwoordelijkheden leren kennen en dragen. De tweede gelukkige omstandigheid betekent met de Leer van de Boeddha de mogelijkheid ontvangen dat leven geheel te doorgronden. De weg van Zen gaan betekent leren kijken met de ogen van de onmetelijke ruimte en met die blik ervaren dat je niet meer weet wat je ziet. Het betekent leren luisteren met heel je wezen en in die staat niet langer weten wat je hoort. Dat is bevrijding.

De hele Zen traditie en – beoefening berust op bevrijding uit onwetendheid, de oversteek via het vlot van de Boeddhistische Leer naar de staat van niet-weten. We laten het vlot uiteindelijk achter maar wenden het opnieuw aan in het proces wanneer we anderen op hun weg begeleiden. Die wijze van aanwenden, is geheel afgestemd op cq gevormd naar de leraar in kwestie. Zenleraren leven hetzelfde voor, maar hun Dharma – hun wijze van scholing – verschilt. In zen geldt: Zen heeft de geest als kern en geen-methode als leermethode.

Hoe geven we in een sterfelijk, kwetsbaar bestaan – in en met dit lichaam als voertuig – vorm aan het absolute, het eeuwige Licht waarvan niets en niemand is uitgesloten? Dat is de uitdaging, daarin ligt het werk van Zen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord